Vragen stellen aan ChatGPT ( Kunstmatige Intelligentie )


ChatGPT is een Kunstmatig Intelligentie ( A.I. ) programma van
het bedrijf: OpenAI.com.
U kunt in de link hieronder een account aanmaken voor ChatGPT, daarna
Inloggen en daarna kunt U allerlei vragen stellen aan het A.I. programma.

LINK - ChatGPT

Vraag 1 aan ChatGPT:

Uitleg over Randomized Controlled Trial

Het antwoord van ChatGPT :

Een Randomized Controlled Trial (RCT) is een wetenschappelijk
onderzoek waarmee je kunt bepalen of een behandeling,
interventie of medicijn daadwerkelijk effect heeft.


Hoe werkt een RCT?

De deelnemers worden willekeurig (random) verdeeld over verschillende groepen:

- Interventiegroep: krijgt de behandeling of interventie die wordt onderzocht.
- Controlegroep: krijgt bijvoorbeeld een placebo, de gebruikelijke
  behandeling of geen behandeling.

Daarna worden de uitkomsten van beide groepen met elkaar vergeleken.


Waarom is randomisatie belangrijk?

Door deelnemers willekeurig over de groepen te verdelen, worden
kenmerken zoals leeftijd, geslacht, leefstijl en gezondheidstoestand
zo goed mogelijk gelijk verdeeld. Hierdoor is het waarschijnlijker
dat een verschil in uitkomst wordt veroorzaakt door de interventie en
niet door andere factoren.


Voorbeeld

Stel dat onderzoekers willen weten of een nieuwe behandeling de bloeddruk verlaagt.

1. 200 mensen doen mee.
2. 100 mensen worden random toegewezen aan de interventiegroep.
3. 100 mensen komen in de controlegroep.
4. De interventiegroep krijgt het nieuwe middel.
5. De controlegroep krijgt een placebo.
6. Na 12 weken wordt de bloeddruk gemeten.
7. De onderzoekers vergelijken de gemiddelde bloeddrukverandering tussen beide groepen.

Als de interventiegroep een grotere daling laat zien en het verschil
statistisch significant is, kan dat aanwijzingen geven dat het middel
effectief is.


Belangrijke kenmerken van een RCT
Kenmerk Betekenis
----------------------------------------------------------------------------------------------
Randomisatie --- Deelnemers worden willekeurig verdeeld
Controlegroep --- Er is een groep waarmee wordt vergeleken
Interventie --- Een behandeling of andere interventie wordt onderzocht
Uitkomstmaat --- Er wordt vooraf bepaald wat wordt gemeten
Blindering --- Deelnemers en/of onderzoekers weten soms niet wie welke behandeling krijgt


Voordelen
- Sterk onderzoeksdesign om oorzaak en gevolg te onderzoeken.
- Randomisatie vermindert de invloed van confounders.
- Geeft vaak sterk bewijs voor de effectiviteit van een interventie.


Nadelen
- Kan duur en tijdrovend zijn.
- Niet altijd ethisch mogelijk: je kunt bijvoorbeeld niet zomaar een schadelijke behandeling toewijzen.
- De onderzoeksresultaten zijn niet altijd volledig te vertalen naar de dagelijkse praktijk.


Kort gezegd:
Een RCT vergelijkt willekeurig toegewezen groepen om zo betrouwbaar
mogelijk vast te stellen of een interventie een bepaald effect veroorzaakt.

Een RCT wordt daarom vaak gezien als een van de sterkste onderzoeks-
opzetten voor het aantonen van een causaal effect
.


------------------------------------------------------------------------------------------------


Vraag 2 aan ChatGPT:

Wat zijn de mogelijke redenen voor grote farmaceutische bedrijven
om GEEN RCT's uit te voeren op voedingen, mineralen en vitamines,
terwijl er mensen zijn die duidelijk te kennen geven dat ze er baat bij
hebben ?


Het antwoord van ChatGPT :

Ja. Er zijn heel plausibele economische, wetenschappelijke en juridische
redenen
waarom een groot farmaceutisch bedrijf niet snel een RCT
(randomized controlled trial) zal financieren naar een voedingsmiddel,
vitamine of mineraal - zelfs wanneer veel mensen individueel aangeven
er baat bij te hebben.

Maar er is een belangrijk onderscheid: 'een farmaceutisch bedrijf heeft
geen RCT uitgevoerd'
is op zichzelf geen bewijs dat het middel werkt
én ook geen bewijs dat het niet werkt. De vraag is vooral: wie heeft
er financieel en wetenschappelijk belang bij om de vraag te beantwoorden?



1. Het belangrijkste probleem: weinig exclusiviteit

Een geneesmiddelenbedrijf kan miljarden investeren in een RCT omdat
een succesvolle uitkomst kan leiden tot een geneesmiddel met octrooi-
bescherming en exclusieve marktpositie.

Bij een stof als vitamine D, magnesium, vitamine C, ijzer of een
voedingsmiddel ligt dat heel anders. Een bedrijf kan moeilijk voorkomen
dat concurrenten vervolgens dezelfde stof verkopen.

Dat maakt de economische rekensom ongeveer:

Hoge onderzoekskosten + onzeker resultaat + weinig exclusiviteit =
weinig commerciële prikkel.

Dat is waarschijnlijk één van de belangrijkste verklaringen.


2. Een positieve RCT kan commercieel zelfs ongunstig zijn

Stel dat een farmaceutisch bedrijf ontdekt dat een goedkoop mineraal
bij een bepaalde groep patiënten daadwerkelijk een klinisch
relevant effect heeft.

Dat levert niet automatisch een aantrekkelijk geneesmiddel op.

Als het mineraal goedkoop, vrij verkrijgbaar en niet patenteerbaar is,
kan een concurrent dezelfde conclusie gebruiken. Het oorspronkelijke
bedrijf heeft dan mogelijk wel de onderzoeksrekening betaald, maar
niet het monopolie op de opbrengst
.

Dit verschilt fundamenteel van de klassieke farmaceutische situatie.


3. Voeding is bovendien veel moeilijker te onderzoeken

Bij een geneesmiddel kun je relatief nauwkeurig zeggen:

- stof X
- dosis Y
- eenmaal daags
- gedurende Z weken
- versus placebo.

Bij voeding wordt het ingewikkelder.

Bijvoorbeeld: wat is precies de interventie?

- één voedingsmiddel?
- een compleet dieet?
- een verandering in koolhydraten?
- meer eiwit?
- minder ultrabewerkt voedsel?
- een combinatie van tientallen voedingsstoffen?

En vervolgens spelen leeftijd, uitgangsvoeding, microbiota, genetica,
lichaamsgewicht, beweging en medicatie allemaal mee.

Daardoor kan een voedingsinterventie bij een subgroep sterk
werken terwijl het gemiddelde effect over de hele populatie
klein lijkt.



4. “Mensen ervaren duidelijk voordeel” is interessante
informatie - maar nog geen RCT-bewijs


Dit punt is belangrijk.

Als honderden of duizenden mensen onafhankelijk hetzelfde
rapporteren, zou ik dat niet wegwuiven. Het kan een signaal
zijn dat verder onderzoek verdient.

Maar individuele ervaringen kunnen ook ontstaan door bijvoorbeeld:

- placebo/nocebo;
- natuurlijke fluctuatie van de aandoening;
- regressie naar het gemiddelde;
- tegelijkertijd veranderde leefstijl;
- selectieve rapportage;
- verschillen tussen responders en non-responders;
- verkeerde identificatie van de oorzaak.

Een RCT probeert juist te bepalen hoeveel van het waargenomen
verschil aan de interventie zelf kan worden toegeschreven.

Dus:

anekdotisch bewijs --> hypothese

observationeel bewijs --> aanwijzing

RCT --> sterkere causale toets


maar ook een RCT is niet automatisch het laatste woord.


5. Er is overigens wél onderzoek naar supplementen

Het zou dus te sterk zijn om te zeggen dat vitamines, mineralen
en voeding nauwelijks wetenschappelijk worden onderzocht.

De Amerikaanse NIH heeft bijvoorbeeld een speciaal Office of
Dietary Supplements (ODS) dat onderzoek naar voedings-
supplementen coördineert en mede financiert, waaronder
klinisch en translationeel onderzoek.

De reden dat dit vaak minder zichtbaar is dan geneesmiddelen-
onderzoek, is mede dat de financieringsstructuur anders is.


6. De regelgeving maakt het verschil nog groter

In de VS bijvoorbeeld worden voedingssupplementen onder de
DSHEA-wetgeving anders behandeld dan geneesmiddelen. De
FDA hoeft supplementen in het algemeen niet vooraf goed te
keuren op werkzaamheid en veiligheid
voordat ze op de markt
komen.

Voor nieuwe geneesmiddelen ligt de situatie fundamenteel
anders: daarvoor is klinisch onderzoek onderdeel van het
traject naar markttoelating.

Daarom kan een supplementenbedrijf soms geld verdienen
zonder ooit een grote RCT te hoeven uitvoeren.

Dat creëert een merkwaardige asymmetrie:

geneesmiddel:
onderzoek --> bewijs --> goedkeuring --> verkoop

supplement:
veiligheid/kwaliteit/claims binnen wettelijke kaders --> verkoop --> eventueel onderzoek

Dat betekent overigens niet dat supplementen automatisch
effectief zijn; het betekent dat het systeem minder sterke
voorafgaande werkzaamheidsbewijzen vereist.


7. En er is nog een interessante paradox

Stel dat een voedingsinterventie werkelijk een ziekte aanzienlijk kan verbeteren.

Dan kan dat voor een farmaceutisch bedrijf juist een bedreiging
van de bestaande markt
zijn.

Maar hier moeten we voorzichtig zijn: daaruit volgt niet dat
farmaceutische bedrijven daarom bewust onderzoek naar
zulke interventies onderdrukken. Daarvoor zou je per
concrete interventie bewijs moeten hebben.

Het veel sterkere en beter verdedigbare argument is:

Het huidige economische systeem beloont onderzoek naar
patenteerbare producten veel sterker dan onderzoek naar
goedkope, niet-exclusieve interventies.


Dat is een structureel probleem, geen noodzakelijk bewijs van kwade intentie.


Wat ik persoonlijk de interessantste vraag vind

Als je dit onderwerp echt serieus wilt onderzoeken, zou ik de vraag
niet formuleren als:

'Waarom willen farmaceutische bedrijven niet bewijzen dat vitamines werken?'

maar als:

'Welke potentieel effectieve voedings-, vitamine- en mineraalinterventies
krijgen onvoldoende RCT-onderzoek omdat de commerciële
opbrengst onvoldoende is?'


Dat is een veel interessantere wetenschappelijke vraag.

En vervolgens kun je per interventie kijken naar:

1. Wat zeggen patiënten/gebruikers?
2. Wat zegt mechanistisch/biologisch onderzoek?
3. Wat zeggen observationele studies?
4. Zijn er kleine RCT's?
5. Zijn er grote RCT's?
6. Wat waren de uitkomsten?
7. Wie financierde het onderzoek?
8. Was de onderzochte dosis daadwerkelijk adequaat?
9. Was de juiste patiëntengroep onderzocht?
10. Hoe groot is het effect werkelijk?
11. Is er een plausibel financieel motief om het niet verder te onderzoeken?

Dan krijg je een veel interessanter beeld dan simpelweg 'wel bewezen' versus 'niet bewezen'.

Als je wilt, kan ik dit ook concreet maken aan de hand van bijvoorbeeld
magnesium, vitamine D, vitamine C, omega-3, B12, folaat, creatine of
een specifiek voedingsmiddel, en per stof bekijken welke RCT's er
daadwerkelijk zijn gedaan, wie ze financierde en waar de grootste
kennishiaten zitten.


------------------------------------------------------------------------------------------------


Vraag 3 aan ChatGPT:

Welke potentieel effectieve voedings-, vitamine- en mineraal-
interventies krijgen onvoldoende RCT-onderzoek omdat de
commerciële opbrengst onvoldoende is?


Het antwoord van ChatGPT :

Ja. Als we de vraag streng formuleren -- 'waar zijn aanwijzingen voor
werkzaamheid, maar ontbreken nog grote, goed ontworpen RCT's, en
is er weinig commerciële prikkel om die te financieren?' -- dan zijn er
een aantal interessante kandidaten.

Wel een belangrijke nuance: we kunnen meestal aantonen dát het
onderzoek tekortschiet; we kunnen veel moeilijker aantonen dat de
reden daarvoor daadwerkelijk de lage commerciële opbrengst is. Dat
laatste is een plausibele economische verklaring, geen bewezen
oorzaak per individuele interventie.

De NIH constateert zelf dat er nog aanzienlijke kennishiaten zijn rond
werkzaamheid, optimale dosering, biomarkers, veiligheid en
verschillen tussen subgroepen bij voedingssupplementen.

Mijn shortlist

Interventie Mogelijk interessant voor --- Hoe sterk is het signaal? --- Grootste probleem
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Magnesium --- depressie, migraine, metabole gezondheid --- redelijk interessant --- kleine/heterogene RCT's
Kalium --- hoge bloeddruk, cardiovasculair risico --- sterk biologisch signaal --- weinig grote langetermijn-RCT's
Vitamine B12 --- neurologische klachten bij lage/suboptimale status --- sterk bij tekort; veel minder duidelijk bij subklinische situaties --- klinische uitkomsten onvoldoende onderzocht
Vitamine D --- bepaalde subgroepen, o.a. depressie --- gemengd --- veel RCT's, maar verkeerde populaties/doses in veel studies
Selenium --- auto-immuunthyreoïditis --- interessant maar onzeker --- veel kleine/heterogene studies
Thiamine (B1) --- hartfalen, vooral bij kwetsbare/deficiënte patiënten --- interessant mechanisme --- zeer kleine RCT's
Oplosbare vezels --- IBS/constipatie --- behoorlijk signaal --- weinig grote, langdurige gepersonaliseerde trials
Specifieke voedingspatronen --- IBS, metabole aandoeningen, inflammatoire aandoeningen --- vaak interessant --- voeding is moeilijk te patenteren é;n moeilijk te standaardiseren

Ik zou er een paar uitlichten.

-----------------------------------------------

1. Magnesium - misschien é;é;n van de interessantste voorbeelden

Voor magnesium is het interessante dat er zowel een biologisch
plausibel mechanisme als klinische signalen bestaan.

Bij depressie bijvoorbeeld vond een recente meta-analyse slechts
7 RCT's met in totaal 325 deelnemers, maar wel een statistisch
significante verbetering van depressiescores met magnesium.
Dat is interessant, maar absoluut onvoldoende om te zeggen dat
magnesium een bewezen antidepressivum is.

Bij migraine is het bewijs eveneens opvallend dun: een systematische
review vond slechts 3 RCT's met 226 deelnemers en
concludeerde dat de bewijskracht onvoldoende was om de
werkzaamheid goed vast te stellen. De auteurs roepen expliciet
op tot grotere, goed opgezette RCT's.

Dat is precies het soort situatie waarin een economisch probleem
kan ontstaan:

magnesium is goedkoop --> niet exclusief --> geen aantrekkelijke
patentpositie --> weinig commerciële reden voor een trial van tientallen
miljoenen.


Maar wetenschappelijk gezien zou een grote trial bijvoorbeeld heel
interessant zijn waarbij men alleen mensen met lage magnesium-
status includeert. Veel eerdere trials behandelen immers brede
populaties.

-----------------------------------------------

2. Kalium --- verrassend interessant

Dit is een kandidaat die vaak onder de radar blijft.

Een meta-analyse van 23 RCT's met 1.213 deelnemers vond dat
kaliumsupplementatie de systolische bloeddruk gemiddeld met
ongeveer 4,25 mmHg en de diastolische bloeddruk met
ongeveer 2,53 mmHg verlaagde ten opzichte van placebo.

Maar dit zijn relatief kleine studies.

Een echt interessante RCT zou bijvoorbeeld kunnen onderzoeken:

- mensen met hypertensie + relatief lage kaliuminname
- versus
- optimale kaliuminname
- gedurende meerdere jaren

met uitkomsten zoals:

- beroerte;
- hartinfarct;
- hartfalen;
- nierfunctie;
- mortaliteit.

Dat is precies het soort studie dat heel maatschappelijk waardevol
maar commercieel weinig aantrekkelijk kan zijn.

Waarom?

Omdat je na een positieve uitkomst moeilijk een exclusief product
kunt verkopen. Kalium is een element dat iedereen kan produceren
en verkopen.

------------------------------------------------

3. Vitamine B12 --- vooral bij de 'grijze zone'

Bij ernstig B12-tekort is de situatie helemaal niet mysterieus:
behandeling is standaard.

De interessante kennislacune zit eerder bij mensen met lage
of grenswaarde B12, bij wie klachten aanwezig zijn maar
waarbij niet altijd duidelijk is of behandeling klinisch voordeel
geeft.

Een mooi voorbeeld van het probleem: een Cochrane-review
vond slechts drie RCT's met in totaal 153 deelnemers bij de
vergelijking orale versus intramusculaire B12. Geen van de trials
rapporteerde belangrijke klinische uitkomsten zoals neurologische
symptomen, vermoeidheid, depressie of kwaliteit van leven.

Dus we weten bijvoorbeeld veel beter:

'verandert het B12-gehalte in het bloed?'

dan:

'wordt deze persoon aantoonbaar minder moe en verbeteren
cognitieve/neurologische klachten?'


Dat laatste is voor patiënten natuurlijk veel belangrijker.

----------------------------------------------------------------

4. Vitamine D --- interessant, maar juist een waarschuwing

Vitamine D is een uitstekend voorbeeld van waarom we voorzichtig
moeten zijn met het argument 'veel mensen hebben er baat bij,
dus er ontbreekt alleen nog een RCT.'


Er zijn namelijk heel veel RCT's naar vitamine D gedaan.

Bij depressie zijn de resultaten bijvoorbeeld tegenstrijdig. Een
meta-analyse uit 2023 vond 18 trials met bijna 2.000 deelnemers
en rapporteerde een voordeel, maar met aanzienlijke heterogeniteit.
Een andere recente analyse kwam tot een veel sceptischer conclusie
en stelde dat eerdere subgroup-resultaten methodologisch
problematisch waren.

En er is een belangrijk probleem:

'vitamine D werkt bij depressie' is waarschijnlijk een veel te simpele vraag.

De betere vraag zou kunnen zijn:

Werkt vitamine D bij mensen met depressie én een bepaalde
mate van vitamine-D-tekort é;n een bepaalde biologische/klinische
kenmerken?

Daarvoor zijn veel minder overtuigende gegevens.

Dit is dus eerder een probleem van verkeerd ontworpen of
onvoldoende gerichte RCT's
dan van helemaal geen onderzoek.

--------------------------------------------------------------

5. Selenium bij Hashimoto/auto-immuunthyreoïditis

Hier wordt het bijzonder interessant.

Er zijn al behoorlijk wat RCT's. Meta-analyses vinden onder bepaalde
omstandigheden lagere schildklier-antistoffen bij seleniumgebruik.

Maar de klinische betekenis daarvan is onzeker.

Een overzicht van systematische reviews uit 2023 includeerde
maar liefst 75 RCT's, maar slechts één systematische
review werd als hoogwaardig beoordeeld; de zekerheid van het
bewijs was vaak zeer laag.

Dit is dus niet een voorbeeld van 'niemand onderzoekt het'.

Het is een voorbeeld van:

veel kleine studies + onvoldoende hoogwaardige, definitieve trials.

En selenium is natuurlijk geen aantrekkelijke patentkandidaat.

-------------------------------------------------------------------

6. Thiamine (vitamine B1)

Dit is nog zo'n fascinerende casus.

Thiaminedeficiëntie komt bij bepaalde patiënten met hartfalen voor
en er is een plausibel mechanisme waarom verbetering van de
thiaminestatus gunstig zou kunnen zijn.

Maar de trials zijn klein.

Een recente meta-analyse vond slechts 7 gerandomiseerde,
dubbelblinde trials met 274 patiënten
. Daaruit bleek geen
overtuigend klinisch voordeel van thiamine bij hartfalen,
behalve correctie van het tekort zelf.

Een oudere meta-analyse, gebaseerd op slechts twee trials en
38 patiënten, vond daarentegen wel verbetering van de ejectiefractie.

Dat is precies het soort situatie waarbij een grote, goed
ontworpen trial waardevol zou zijn.

Maar opnieuw:

B1 is goedkoop en niet exclusief.

-------------------------------------------------------------

7. Oplosbare vezels --- en hier wordt het nog interessanter

Bij IBS is er al behoorlijk bewijs dat oplosbare vezels kunnen helpen.

Een meta-analyse van 14 RCT's met 906 patiënten vond een
significante verbetering; het geschatte NNT voor oplosbare
vezels was ongeveer 7.

Maar de studies zijn relatief klein en verschillen in:

- soort vezel;
- dosering;
- duur;
- patiëntenselectie;
- uitkomstmaten.

Een recente systematische review van voedingsinterventies bij
IBS benadrukt eveneens dat de optimale keuze en relatieve
effectiviteit van verschillende diëten nog onvoldoende duidelijk
zijn.

Dat is economisch interessant omdat je moeilijk een 'patent op
oplosbare vezels'
kunt hebben.

--------------------------------------------------------------

Maar hier zit volgens mij de belangrijkste les

Ik zou de hypothese iets anders formuleren dan:

'Farmaceutische bedrijven doen geen RCT's omdat
ze niet willen dat we ontdekken dat voeding werkt.'


Daarvoor is geen goede algemene onderbouwing.

De veel sterkere hypothese is:

Ons onderzoeksfinancieringssysteem is beter ingericht
voor interventies die een exclusief commercieel rendement
kunnen opleveren dan voor goedkope, niet-patenteerbare
interventies.


En dat is een wezenlijk verschil.

De NIH probeert dat gat gedeeltelijk op te vullen. De huidige
ODS-strategie 2025 - 2029 noemt expliciet het identificeren
van 'critical knowledge gaps' rond supplementen en
het stimuleren van nieuw onderzoek. De NIH houdt zelfs een
database bij van sinds 1999 publiek gefinancierde
supplementenonderzoeken.

En daardoor ontstaat een interessante 'marktmisser'

Stel dat een behandeling:

- €5 per maand kost;
- niet patenteerbaar is;
- door 20 miljoen mensen gebruikt zou kunnen worden;
- een ziekte met 5% zou verminderen;
- maar een RCT €20 miljoen kost.

Maatschappelijk kan die studie enorm waardevol zijn.

Maar voor één bedrijf kan de financiële
opbrengst onvoldoende zijn.

Dat is precies waarom publieke financiering, universiteiten
en non-profitorganisaties
zo belangrijk zijn voor dit
soort onderzoek.

-------------------------------------------------------

Als ik er vijf moest kiezen voor nader onderzoek

Op basis van de huidige aanwijzingen zou ik persoonlijk
deze vijf als bijzonder interessant beschouwen:

1. Magnesium --> depressie/migraine, vooral geselecteerde patiënten
2. Kalium --> hypertensie en cardiovasculaire uitkomsten
3. B12 --> mensen met lage/suboptimale status + neurologische/energetische klachten
4. Specifieke voedingsinterventies --> IBS en metabole aandoeningen
5. Selenium --> Hashimoto, maar met harde klinische uitkomsten in plaats van alleen antistoffen

En ik zou daarbij niet beginnen met 'werkt het gemiddeld bij iedereen?'

Ik zou beginnen met:

'Bij welke mensen is er biologisch reden om te verwachten dat het werkt?'

Dat kan het verschil maken tussen een negatieve RCT en een positieve RCT.

Als je wilt, kan ik als volgende stap voor deze 5 interventies een
soort 'evidence audit' maken
: hoeveel RCT's zijn er precies, hoeveel
deelnemers, welke doses, welke uitkomsten, wie financierde ze, en
vooral waar zitten de concrete gaten waar een grote RCT nog echt
antwoord op zou kunnen geven.
Dat zou de commerciële/farmaceutische
hypothese ook veel objectiever toetsbaar maken.





FOTOS - RCT